Ordliste
Lær verber – Nederlandsk
doden
Ik zal de vlieg doden!
dræbe
Jeg vil dræbe fluen!
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
påtage sig
Jeg har påtaget mig mange rejser.
werken
Ze werkt beter dan een man.
arbejde
Hun arbejder bedre end en mand.
missen
Ik zal je zo erg missen!
savne
Jeg vil savne dig så meget!
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
bo
De bor i en delelejlighed.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
parkere
Cyklerne er parkeret foran huset.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
passere
Toget passerer os.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
ankomme
Flyet ankom til tiden.
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
tilbyde
Hun tilbød at vande blomsterne.
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
forlade
Mange englændere ville forlade EU.
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
udstille
Moderne kunst udstilles her.