Woordenlijst

Leer werkwoorden – Litouws

cms/verbs-webp/130288167.webp
valyti
Ji valo virtuvę.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
cms/verbs-webp/80356596.webp
atsisveikinti
Moteris atsisveikina.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
cms/verbs-webp/113671812.webp
dalintis
Turime išmokti dalintis turtu.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
cms/verbs-webp/106787202.webp
grįžti
Tėtis pagaliau grįžo namo!
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
cms/verbs-webp/84314162.webp
ištiesti
Jis ištiesto rankas plačiai.
uitspreiden
Hij spreidt zijn armen wijd uit.
cms/verbs-webp/71883595.webp
ignoruoti
Vaikas ignoruoja savo motinos žodžius.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
cms/verbs-webp/108350963.webp
praturtinti
Prieskoniai praturtina mūsų maistą.
verrijken
Specerijen verrijken ons eten.
cms/verbs-webp/101765009.webp
lydėti
Šuo juos lydi.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
cms/verbs-webp/63645950.webp
bėgti
Ji kas rytą bėga ant paplūdimio.
rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
cms/verbs-webp/70055731.webp
išvykti
Traukinys išvyksta.
vertrekken
De trein vertrekt.
cms/verbs-webp/31726420.webp
kreiptis
Jie kreipiasi vienas į kitą.
zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.
cms/verbs-webp/8451970.webp
aptarti
Kolegos aptaria problemą.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.