Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
kyk af
Sy kyk af in die vallei.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
soek
Die inbreker soek die huis.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
sny op
Vir die slaai moet jy die komkommer op sny.
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
beskik oor
Kinders beskik net oor sakgeld.
corrigeren
De leraar corrigeert de essays van de studenten.
korrekteer
Die onderwyser korrekteer die studente se opstelle.
openen
Het festival werd geopend met vuurwerk.
open
Die fees is met vuurwerke geopen.
opkomen voor
De twee vrienden willen altijd voor elkaar opkomen.
opstaan vir
Die twee vriende wil altyd vir mekaar opstaan.
missen
Ik zal je zo erg missen!
mis
Ek gaan jou so baie mis!
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
toelaat
Mens moet nie depressie toelaat nie.
aannemen
De sollicitant werd aangenomen.
aanstel
Die aansoeker is aangestel.
geldig zijn
Het visum is niet meer geldig.
geldig wees
Die visum is nie meer geldig nie.