Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
senti
Li ofte sentas sin sola.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
reveni
La patro revenis el la milito.
terugkeren
De vader is teruggekeerd uit de oorlog.
tiri
Li tiras la sledon.
trekken
Hij trekt de slee.
rilati
La instruisto rilatas al la ekzemplo sur la tabulo.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
promeni
La familio promenas dimanĉe.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
ekskludi
La grupo ekskludas lin.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
plibonigi
Ŝi volas plibonigi sian figuron.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
esplori
La astronautoj volas esplori la kosmon.
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.
ripeti
Mia papago povas ripeti mian nomon.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
perdi sin
Mi perdus min sur mia vojo.
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
esprimi sin
Ŝi volas esprimi sin al sia amiko.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.