Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (PT)
esperar
Minha irmã está esperando um filho.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
tocar
O agricultor toca suas plantas.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
terminar
A rota termina aqui.
eindigen
De route eindigt hier.
servir
O chef está nos servindo pessoalmente hoje.
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
estar localizado
Uma pérola está localizada dentro da concha.
zich bevinden
Er bevindt zich een parel in de schelp.
deixar
Os donos deixam seus cachorros comigo para um passeio.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
andar
Eles andam o mais rápido que podem.
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
tomar café da manhã
Preferimos tomar café da manhã na cama.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
deixar parado
Hoje muitos têm que deixar seus carros parados.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
esquecer
Ela esqueceu o nome dele agora.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
empurrar
A enfermeira empurra o paciente em uma cadeira de rodas.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.