Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
ontmoeten
De vrienden ontmoetten elkaar voor een gezamenlijk diner.
ontmoet
Die vriende het ontmoet vir ’n gesamentlike ete.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
verkoop
Die handelaars verkoop baie goedere.
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
bou
Wanneer is die Groot Muur van China gebou?
tellen
Ze telt de munten.
tel
Sy tel die muntstukke.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
bestel
Sy bestel ontbyt vir haarself.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
vermy
Sy vermy haar kollega.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
maak skoon
Die werker maak die venster skoon.
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
verdwaal
Ek het op my pad verdwaal.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
dans
Hulle dans ’n tango uit liefde.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
hou van
Sy hou meer van sjokolade as van groente.
rinkelen
De bel rinkelt elke dag.
lui
Die klok lui elke dag.