Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/125319888.webp
bedekken
Ze bedekt haar haar.
bedek
Sy bedek haar hare.
cms/verbs-webp/38753106.webp
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
praat
Mens moet nie te hard in die bioskoop praat nie.
cms/verbs-webp/34725682.webp
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
stel voor
Die vrou stel iets aan haar vriendin voor.
cms/verbs-webp/12991232.webp
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
dank
Ek dank u baie daarvoor!
cms/verbs-webp/92612369.webp
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
parkeer
Die fietse is voor die huis geparkeer.
cms/verbs-webp/120686188.webp
studeren
De meisjes studeren graag samen.
studeer
Die meisies hou daarvan om saam te studeer.
cms/verbs-webp/118485571.webp
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
doen vir
Hulle wil iets vir hulle gesondheid doen.
cms/verbs-webp/109157162.webp
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
kom maklik
Surfing kom maklik vir hom.
cms/verbs-webp/109588921.webp
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
skakel af
Sy skakel die alarmklok af.
cms/verbs-webp/41935716.webp
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
verdwaal
Dit is maklik om in die woud te verdwaal.
cms/verbs-webp/8482344.webp
kussen
Hij kust de baby.
soen
Hy soen die baba.
cms/verbs-webp/11497224.webp
antwoorden
De student beantwoordt de vraag.
antwoord
Die student antwoord die vraag.