Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
activeren
De rook activeerde het alarm.
aktiveer
Die rook het die alarm geaktiveer.
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.
vergelyk
Hulle vergelyk hul syfers.
garanderen
Verzekering garandeert bescherming bij ongevallen.
waarborg
Versekering waarborg beskerming in geval van ongelukke.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
sny op grootte
Die materiaal word op grootte gesny.
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.
voeg by
Sy voeg ’n bietjie melk by die koffie.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
optrek
Die helikopter trek die twee mans op.
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
spandeer
Sy het al haar geld gespandeer.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
verkies
Baie kinders verkies lekkers bo gesonde dinge.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
was
Ek hou nie daarvan om die skottelgoed te was nie.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
beloon
Hy is met ’n medalje beloon.
deelnemen
Hij neemt deel aan de race.
deelneem
Hy neem deel aan die wedren.