Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
skakel
Sy het die foon opgetel en die nommer geskakel.
luisteren
Hij luistert naar haar.
luister
Hy luister na haar.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
kontroleer
Die werktuigkundige kontroleer die motor se funksies.
verlaten
Veel Engelsen wilden de EU verlaten.
verlaat
Baie Engelse mense wou die EU verlaat.
redden
De dokters konden zijn leven redden.
red
Die dokters kon sy lewe red.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
ignoreer
Die kind ignoreer sy ma se woorde.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
monitor
Alles word hier deur kameras gemonitor.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
roep
Die seun roep so hard soos hy kan.
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.
begin hardloop
Die atleet is op die punt om te begin hardloop.
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
aanvaar
Ek kan dit nie verander nie, ek moet dit aanvaar.
betekenen
Wat betekent dit wapenschild op de vloer?
beteken
Wat beteken hierdie wapenskild op die vloer?