Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
serveren
De ober serveert het eten.
bedien
Die kelner bedien die kos.
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
terugneem
Die toestel is defektief; die handelaar moet dit terugneem.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
lieg
Soms moet mens in ’n noodgeval lieg.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
ontslaan
Die baas het hom ontslaan.
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
onaangeraak laat
Die natuur is onaangeraak gelaat.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
saamdink
Jy moet saamdink in kaartspelletjies.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
slaag
Die studente het die eksamen geslaag.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
verf
Hy verf die muur wit.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
ontdek
Die seemanne het ’n nuwe land ontdek.
missen
De man heeft zijn trein gemist.
mis
Die man het sy trein gemis.
geïnteresseerd zijn
Ons kind is erg geïnteresseerd in muziek.
belangstel
Ons kind stel baie belang in musiek.