Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
spelen
Het kind speelt liever alleen.
speel
Die kind verkies om alleen te speel.
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
sorteer
Ek het nog baie papier om te sorteer.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
gebeur
Iets sleg het gebeur.
vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.
verteenwoordig
Prokureurs verteenwoordig hulle kliënte in die hof.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
met die trein gaan
Ek sal daarheen met die trein gaan.
sterven
Veel mensen sterven in films.
sterf
Baie mense sterf in flieks.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
kanselleer
Hy het ongelukkig die vergadering gekanselleer.
drijven
De cowboys drijven het vee met paarden.
jaag
Die cowboys jaag die beeste met perde.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
besit
Ek besit ’n rooi sportmotor.
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
ooplaat
Wie die vensters ooplaat, nooi inbrekers uit!
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
saam trek
Die twee beplan om binnekort saam te trek.