Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
bedek
Sy bedek haar gesig.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
plek maak
Baie ou huise moet plek maak vir die nuwes.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
verduidelik
Sy verduidelik aan hom hoe die toestel werk.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
inlaat
Mens moet nooit vreemdelinge inlaat nie.
uitspringen
De vis springt uit het water.
spring uit
Die vis spring uit die water.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
gaan loer
Die dokters gaan elke dag by die pasiënt loer.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
spring rond
Die kind spring gelukkig rond.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
brand
Die vleis moet nie op die rooster brand nie.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
maak skoon
Die werker maak die venster skoon.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
verminder
Ek moet beslis my verwarmingskoste verminder.
verdenken
Hij verdenkt dat het zijn vriendin is.
vermoed
Hy vermoed dat dit sy vriendin is.