Woordenlijst

Leer werkwoorden – Zweeds

cms/verbs-webp/53064913.webp
stänga
Hon stänger gardinerna.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
cms/verbs-webp/94482705.webp
översätta
Han kan översätta mellan sex språk.
vertalen
Hij kan tussen zes talen vertalen.
cms/verbs-webp/120900153.webp
gå ut
Barnen vill äntligen gå ut.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
cms/verbs-webp/51573459.webp
betona
Du kan betona dina ögon väl med smink.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
cms/verbs-webp/115113805.webp
chatta
De chattar med varandra.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
cms/verbs-webp/90554206.webp
rapportera
Hon rapporterar skandalen till sin vän.
melden
Ze meldt het schandaal aan haar vriendin.
cms/verbs-webp/115172580.webp
bevisa
Han vill bevisa en matematisk formel.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
cms/verbs-webp/63645950.webp
springa
Hon springer varje morgon på stranden.
rennen
Ze rent elke ochtend op het strand.
cms/verbs-webp/85677113.webp
använda
Hon använder kosmetikprodukter dagligen.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
cms/verbs-webp/89636007.webp
skriva under
Han skrev under kontraktet.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
cms/verbs-webp/118026524.webp
motta
Jag kan motta väldigt snabbt internet.
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
cms/verbs-webp/104820474.webp
låta
Hennes röst låter fantastiskt.
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.