Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
eat
The chickens are eating the grains.
eten
De kippen eten de granen.
call
The boy calls as loud as he can.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
find again
I couldn’t find my passport after moving.
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
happen
Something bad has happened.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
offer
What are you offering me for my fish?
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
walk
He likes to walk in the forest.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
transport
We transport the bikes on the car roof.
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
sleep in
They want to finally sleep in for one night.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
make progress
Snails only make slow progress.
vooruitgang boeken
Slakken boeken alleen langzame vooruitgang.
throw
He throws his computer angrily onto the floor.
gooien
Hij gooit zijn computer boos op de grond.
speak
One should not speak too loudly in the cinema.
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.