Woordenlijst
Leer werkwoorden – Deens
trække
Han trækker slæden.
trekken
Hij trekt de slee.
kigge
Hun kigger gennem en kikkert.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
vise
Jeg kan vise et visum i mit pas.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
ride
Børn kan lide at ride på cykler eller løbehjul.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
køre med
Må jeg køre med dig?
meerijden
Mag ik met je meerijden?
tale dårligt
Klassekammeraterne taler dårligt om hende.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
stemme
Man stemmer for eller imod en kandidat.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
blive fuld
Han bliver fuld næsten hver aften.
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
vende rundt
Du skal vende bilen her.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
tjene
Hunde kan lide at tjene deres ejere.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
miste
Vent, du har mistet din tegnebog!
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!