Woordenlijst

Leer werkwoorden – Deens

cms/verbs-webp/102136622.webp
trække
Han trækker slæden.
trekken
Hij trekt de slee.
cms/verbs-webp/107852800.webp
kigge
Hun kigger gennem en kikkert.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
cms/verbs-webp/102823465.webp
vise
Jeg kan vise et visum i mit pas.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
cms/verbs-webp/84472893.webp
ride
Børn kan lide at ride på cykler eller løbehjul.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
cms/verbs-webp/121102980.webp
køre med
Må jeg køre med dig?
meerijden
Mag ik met je meerijden?
cms/verbs-webp/110322800.webp
tale dårligt
Klassekammeraterne taler dårligt om hende.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
cms/verbs-webp/95190323.webp
stemme
Man stemmer for eller imod en kandidat.
stemmen
Men stemt voor of tegen een kandidaat.
cms/verbs-webp/84506870.webp
blive fuld
Han bliver fuld næsten hver aften.
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
cms/verbs-webp/100585293.webp
vende rundt
Du skal vende bilen her.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
cms/verbs-webp/33599908.webp
tjene
Hunde kan lide at tjene deres ejere.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
cms/verbs-webp/121180353.webp
miste
Vent, du har mistet din tegnebog!
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
cms/verbs-webp/114052356.webp
brænde
Kødet må ikke brænde på grillen.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.