Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/93221279.webp
arder
Hay un fuego ardiendo en la chimenea.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
cms/verbs-webp/81236678.webp
fallar
Ella falló una cita importante.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
cms/verbs-webp/104135921.webp
entrar
Él entra en la habitación del hotel.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
cms/verbs-webp/119895004.webp
escribir
Está escribiendo una carta.
schrijven
Hij schrijft een brief.
cms/verbs-webp/105623533.webp
deber
Se debería beber mucha agua.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
cms/verbs-webp/15353268.webp
exprimir
Ella exprime el limón.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
cms/verbs-webp/102304863.webp
patear
¡Cuidado, el caballo puede patear!
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
cms/verbs-webp/99633900.webp
explorar
Los humanos quieren explorar Marte.
verkennen
Mensen willen Mars verkennen.
cms/verbs-webp/96571673.webp
pintar
Él está pintando la pared de blanco.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
cms/verbs-webp/46385710.webp
aceptar
Aquí se aceptan tarjetas de crédito.
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
cms/verbs-webp/108350963.webp
enriquecer
Las especias enriquecen nuestra comida.
verrijken
Specerijen verrijken ons eten.
cms/verbs-webp/62175833.webp
descubrir
Los marineros han descubierto una nueva tierra.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.