Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
arder
Hay un fuego ardiendo en la chimenea.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
fallar
Ella falló una cita importante.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
entrar
Él entra en la habitación del hotel.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
escribir
Está escribiendo una carta.
schrijven
Hij schrijft een brief.
deber
Se debería beber mucha agua.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
exprimir
Ella exprime el limón.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
patear
¡Cuidado, el caballo puede patear!
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
explorar
Los humanos quieren explorar Marte.
verkennen
Mensen willen Mars verkennen.
pintar
Él está pintando la pared de blanco.
schilderen
Hij schildert de muur wit.
aceptar
Aquí se aceptan tarjetas de crédito.
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
enriquecer
Las especias enriquecen nuestra comida.
verrijken
Specerijen verrijken ons eten.