Woordenlijst
Leer werkwoorden – Italiaans
esercitare autocontrollo
Non posso spendere troppo; devo esercitare autocontrollo.
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
rinnovare
Il pittore vuole rinnovare il colore delle pareti.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
addestrare
Il cane è addestrato da lei.
trainen
De hond wordt door haar getraind.
stampare
I libri e i giornali vengono stampati.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
trovare difficile
Entrambi trovano difficile dire addio.
moeilijk vinden
Beiden vinden het moeilijk om afscheid te nemen.
portare
L’asino porta un carico pesante.
dragen
De ezel draagt een zware last.
premere
Lui preme il bottone.
drukken
Hij drukt op de knop.
immaginare
Lei immagina qualcosa di nuovo ogni giorno.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
esplorare
Gli astronauti vogliono esplorare lo spazio esterno.
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.
chiedere
Lui le chiede perdono.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
portare con sé
Abbiamo portato con noi un albero di Natale.
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.