Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
rigardi
Ili rigardis unu la alian dum longa tempo.
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
devi
Li devas eliri ĉi tie.
moeten
Hij moet hier uitstappen.
elforvendi
La varoj estas elforvendataj.
uitverkopen
De koopwaar wordt uitverkocht.
alkuri
La knabino alkuras al sia patrino.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
serĉi
La ŝtelisto serĉas la domon.
doorzoeken
De inbreker doorzoekt het huis.
akompani
La hundo ilin akompanas.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
pasi
La studentoj pasis la ekzamenon.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
eltiri
Malbonherboj bezonas esti eltiritaj.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
nuligi
Li bedaŭrinde nuligis la kunvenon.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
eniri
La metro ĵus eniris la stacion.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
produkti
Ni produktas nian propran mielon.
produceren
We produceren onze eigen honing.