Woordenlijst
Zweeds – Werkwoorden oefenen
vertellen
Ze vertelde me een geheim.
klinken
Haar stem klinkt fantastisch.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.