Woordenlijst
Catalaans – Werkwoorden oefenen
studeren
Er studeren veel vrouwen aan mijn universiteit.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
elkaar aankijken
Ze keken elkaar lang aan.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.