Woordenlijst
Zweeds – Werkwoorden oefenen
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
slapen
De baby slaapt.
overweg kunnen
Stop met ruziën en kunnen jullie eindelijk met elkaar overweg!
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
knippen
De kapper knipt haar haar.
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.