Vortprovizo
Lernu Verbojn – nederlanda
haten
De twee jongens haten elkaar.
malami
La du knaboj malamas unu la alian.
bestellen
Ze bestelt ontbijt voor zichzelf.
mendi
Ŝi mendas matenmanĝon por si.
bereiden
Ze bereidt een taart.
prepari
Ŝi preparas kukon.
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
purigi
La laboristo purigas la fenestron.
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
parki
La bicikloj estas parkitaj antaŭ la domo.
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
elteni
Ŝi apenaŭ povas elteni la doloron!
ontvangen
Hij ontving een loonsverhoging van zijn baas.
ricevi
Li ricevis salajralton de sia ĉefo.
schrijven
Hij schrijft een brief.
skribi
Li skribas leteron.
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
entrepreni
Mi entreprenis multajn vojaĝojn.
voltooien
Hij voltooit elke dag zijn jogroute.
kompletigi
Li kompletigas sian ĵogadon ĉiutage.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
reiri
Li ne povas reiri sole.