Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
speak out
She wants to speak out to her friend.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
begin
A new life begins with marriage.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
understand
One cannot understand everything about computers.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
work out
It didn’t work out this time.
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
invest
What should we invest our money in?
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
endure
She can hardly endure the pain!
aankomen
Hij kwam net op tijd aan.
arrive
He arrived just in time.
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
monitor
Everything is monitored here by cameras.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
discover
The sailors have discovered a new land.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
miss
He misses his girlfriend a lot.
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
dispose
These old rubber tires must be separately disposed of.