Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.
start running
The athlete is about to start running.
willen
Hij wil te veel!
want
He wants too much!
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
run away
Our son wanted to run away from home.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
handle
One has to handle problems.
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
shout
If you want to be heard, you have to shout your message loudly.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
sort
He likes sorting his stamps.
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
exist
Dinosaurs no longer exist today.
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
lie behind
The time of her youth lies far behind.
terechtkomen
Hoe zijn we in deze situatie terechtgekomen?
end up
How did we end up in this situation?
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
spend money
We have to spend a lot of money on repairs.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
rent out
He is renting out his house.