Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
understand
I finally understood the task!
belasten
Kantoorwerk belast haar erg.
burden
Office work burdens her a lot.
bevorderen
We moeten alternatieven voor autoverkeer bevorderen.
promote
We need to promote alternatives to car traffic.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
burn
A fire is burning in the fireplace.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
improve
She wants to improve her figure.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
marry
Minors are not allowed to be married.
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
shout
If you want to be heard, you have to shout your message loudly.
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
endure
She can hardly endure the pain!
accepteren
Sommige mensen willen de waarheid niet accepteren.
accept
Some people don’t want to accept the truth.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
pull up
The taxis have pulled up at the stop.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
accompany
The dog accompanies them.