Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
werk
Sy werk beter as ’n man.
werken
Ze werkt beter dan een man.
vertrek
Die skip vertrek uit die hawe.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
bel
Die meisie bel haar vriend.
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
begin
Skool begin nou net vir die kinders.
beginnen
School begint net voor de kinderen.
verskyn
’n Groot vis het skielik in die water verskyn.
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
gee
Wat het haar kêrel vir haar vir haar verjaardag gegee?
geven
Wat heeft haar vriend haar voor haar verjaardag gegeven?
stel voor
Die vrou stel iets aan haar vriendin voor.
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
brand
Die vleis moet nie op die rooster brand nie.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
weier
Die kind weier sy kos.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
inlaat
Mens moet nooit vreemdelinge inlaat nie.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
let
’n Mens moet op die padtekens let.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.