Woordenlijst

Leer werkwoorden – Afrikaans

cms/verbs-webp/112286562.webp
werk
Sy werk beter as ’n man.
werken
Ze werkt beter dan een man.
cms/verbs-webp/22225381.webp
vertrek
Die skip vertrek uit die hawe.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
cms/verbs-webp/119302514.webp
bel
Die meisie bel haar vriend.
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
cms/verbs-webp/118008920.webp
begin
Skool begin nou net vir die kinders.
beginnen
School begint net voor de kinderen.
cms/verbs-webp/115373990.webp
verskyn
’n Groot vis het skielik in die water verskyn.
verschijnen
Er verscheen plotseling een grote vis in het water.
cms/verbs-webp/122789548.webp
gee
Wat het haar kêrel vir haar vir haar verjaardag gegee?
geven
Wat heeft haar vriend haar voor haar verjaardag gegeven?
cms/verbs-webp/34725682.webp
stel voor
Die vrou stel iets aan haar vriendin voor.
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
cms/verbs-webp/114052356.webp
brand
Die vleis moet nie op die rooster brand nie.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
cms/verbs-webp/101556029.webp
weier
Die kind weier sy kos.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
cms/verbs-webp/33688289.webp
inlaat
Mens moet nooit vreemdelinge inlaat nie.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
cms/verbs-webp/97784592.webp
let
’n Mens moet op die padtekens let.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
cms/verbs-webp/80332176.webp
onderstreep
Hy het sy verklaring onderstreep.
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.