Woordenlijst
Leer werkwoorden – Zweeds
bjuda in
Vi bjuder in dig till vår nyårsfest.
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
tåla
Hon kan inte tåla sången.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
släppa igenom
Borde flyktingar släppas igenom vid gränserna?
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
gå in
Skeppet går in i hamnen.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
välja ut
Hon väljer ut ett nytt par solglasögon.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
utesluta
Gruppen utesluter honom.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
berika
Kryddor berikar vår mat.
verrijken
Specerijen verrijken ons eten.
dra upp
Helikoptern drar upp de två männen.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
tända
Han tände en tändsticka.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
ta bort
Hur kan man ta bort en rödvinfläck?
verwijderen
Hoe kan men een rode wijnvlek verwijderen?
åka
De åker så snabbt de kan.
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.