Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
tell
I have something important to tell you.
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
travel
We like to travel through Europe.
reizen
We reizen graag door Europa.
set up
My daughter wants to set up her apartment.
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.
walk
The group walked across a bridge.
wandelen
De groep wandelde over een brug.
know
She knows many books almost by heart.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
publish
The publisher puts out these magazines.
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
consume
She consumes a piece of cake.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
forgive
She can never forgive him for that!
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
cut out
The shapes need to be cut out.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
accompany
The dog accompanies them.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
marry
The couple has just gotten married.
trouwen
Het stel is net getrouwd.