Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/63935931.webp
draaien
Ze draait het vlees.
draai
Sy draai die vleis.
cms/verbs-webp/120282615.webp
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
belê
Waarin moet ons ons geld belê?
cms/verbs-webp/113671812.webp
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
deel
Ons moet leer om ons rykdom te deel.
cms/verbs-webp/122707548.webp
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
staan
Die bergklimmer staan op die piek.
cms/verbs-webp/116610655.webp
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
bou
Wanneer is die Groot Muur van China gebou?
cms/verbs-webp/71883595.webp
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
ignoreer
Die kind ignoreer sy ma se woorde.
cms/verbs-webp/55119061.webp
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.
begin hardloop
Die atleet is op die punt om te begin hardloop.
cms/verbs-webp/91643527.webp
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
vashaak
Ek’s vasgehaak en kan nie ’n uitweg vind nie.
cms/verbs-webp/120624757.webp
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
stap
Hy hou daarvan om in die woud te stap.
cms/verbs-webp/61280800.webp
beheersen
Ik kan niet te veel geld uitgeven; ik moet me beheersen.
beheer uitoefen
Ek kan nie te veel geld spandeer nie; ek moet beheer uitoefen.
cms/verbs-webp/59121211.webp
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
lui
Wie het die deurbel gelui?
cms/verbs-webp/57248153.webp
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
noem
Die baas het genoem dat hy hom sal ontslaan.