Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
uitdruk
Sy druk die suurlemoen uit.
verkiezen
Onze dochter leest geen boeken; ze verkiest haar telefoon.
verkies
Ons dogter lees nie boeke nie; sy verkies haar foon.
kijken
Ze kijkt door een gat.
kyk
Sy kyk deur ’n gat.
komen
Ik ben blij dat je bent gekomen!
kom
Ek’s bly jy het gekom!
verloven
Ze hebben stiekem verloofd!
verloof raak
Hulle het in die geheim verloof geraak!
trouwen
Het stel is net getrouwd.
trou
Die paartjie het pas getrou.
smaken
Dit smaakt echt goed!
proe
Dit proe regtig lekker!
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
teken
Hy het die kontrak geteken.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
voel
Sy voel die baba in haar maag.
gaan
Waar is het meer dat hier was heengegaan?
gaan
Waarheen het die meer wat hier was, gegaan?
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
versorg
Ons seun versorg sy nuwe motor baie goed.