Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/100565199.webp
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
ontbyt eet
Ons verkies om in die bed te ontbyt.
cms/verbs-webp/40632289.webp
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
gesels
Studente moet nie tydens die klas gesels nie.
cms/verbs-webp/125385560.webp
wassen
De moeder wast haar kind.
was
Die ma was haar kind.
cms/verbs-webp/95938550.webp
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
saamneem
Ons het ’n Kersboom saamgeneem.
cms/verbs-webp/108295710.webp
spellen
De kinderen leren spellen.
spel
Die kinders leer spel.
cms/verbs-webp/82669892.webp
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
gaan
Waarheen gaan julle albei?
cms/verbs-webp/101383370.webp
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
uitgaan
Die meisies hou daarvan om saam uit te gaan.
cms/verbs-webp/99196480.webp
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
parkeer
Die motors is in die ondergrondse parkeergarage geparkeer.
cms/verbs-webp/54608740.webp
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
uittrek
Onkruid moet uitgetrek word.
cms/verbs-webp/119520659.webp
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
noem
Hoeveel keer moet ek hierdie argument noem?
cms/verbs-webp/102238862.webp
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
besoek
’n Ou vriend besoek haar.
cms/verbs-webp/120200094.webp
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
meng
Jy kan ’n gesonde slaai met groente meng.