Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
ontbyt eet
Ons verkies om in die bed te ontbyt.
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
gesels
Studente moet nie tydens die klas gesels nie.
wassen
De moeder wast haar kind.
was
Die ma was haar kind.
meenemen
We hebben een kerstboom meegenomen.
saamneem
Ons het ’n Kersboom saamgeneem.
spellen
De kinderen leren spellen.
spel
Die kinders leer spel.
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
gaan
Waarheen gaan julle albei?
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
uitgaan
Die meisies hou daarvan om saam uit te gaan.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
parkeer
Die motors is in die ondergrondse parkeergarage geparkeer.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
uittrek
Onkruid moet uitgetrek word.
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
noem
Hoeveel keer moet ek hierdie argument noem?
bezoeken
Een oude vriend bezoekt haar.
besoek
’n Ou vriend besoek haar.