Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
rinkelen
Hoor je de bel rinkelen?
lui
Hoor jy die klok lui?
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
spaar
My kinders het hulle eie geld gespaar.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
verbygaan
Die twee gaan by mekaar verby.
zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
soek na
Die polisie soek na die dader.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
verbygaan
Tyd gaan soms stadig verby.
verhuizen
De buurman verhuist.
trek uit
Die buurman trek uit.
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
spandeer
Sy het al haar geld gespandeer.
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
uitstal
Moderne kuns word hier uitgestal.
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
herstel
Hy wou die kabel herstel.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
saam trek
Die twee beplan om binnekort saam te trek.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
bedek
Die kind bedek sy ore.