Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/123546660.webp
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
kontroleer
Die werktuigkundige kontroleer die motor se funksies.
cms/verbs-webp/100466065.webp
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
uitlaat
Jy kan die suiker in die tee uitlaat.
cms/verbs-webp/122290319.webp
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
opsy sit
Ek wil elke maand ’n bietjie geld opsy sit vir later.
cms/verbs-webp/118596482.webp
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
soek
Ek soek paddastoele in die herfs.
cms/verbs-webp/115267617.webp
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.
waag
Hulle het gewaag om uit die vliegtuig te spring.
cms/verbs-webp/57481685.webp
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
’n jaar herhaal
Die student het ’n jaar herhaal.
cms/verbs-webp/92207564.webp
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
ry
Hulle ry so vinnig as wat hulle kan.
cms/verbs-webp/106622465.webp
zitten
Ze zit bij de zee tijdens zonsondergang.
sit
Sy sit by die see met sonsak.
cms/verbs-webp/4553290.webp
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
binnegaan
Die skip gaan die hawe binne.
cms/verbs-webp/104167534.webp
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
besit
Ek besit ’n rooi sportmotor.
cms/verbs-webp/57248153.webp
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
noem
Die baas het genoem dat hy hom sal ontslaan.
cms/verbs-webp/128782889.webp
verbazen
Ze was verbaasd toen ze het nieuws ontving.
verbaas
Sy was verbaas toe sy die nuus ontvang het.