Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
ontbyt eet
Ons verkies om in die bed te ontbyt.
horen
Ik kan je niet horen!
hoor
Ek kan jou nie hoor nie!
werken
Ze werkt beter dan een man.
werk
Sy werk beter as ’n man.
uitkomen
Wat komt er uit het ei?
kom uit
Wat kom uit die eier uit?
gaan
Waar is het meer dat hier was heengegaan?
gaan
Waarheen het die meer wat hier was, gegaan?
sturen
Hij stuurt een brief.
stuur
Hy stuur ’n brief.
smaken
Dit smaakt echt goed!
proe
Dit proe regtig lekker!
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
toets
Die motor word in die werkswinkel getoets.
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
noem
Hoeveel lande kan jy noem?
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
aanstel
Die maatskappy wil meer mense aanstel.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
omhels
Hy omhels sy ou pa.