Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
aanstel
Die maatskappy wil meer mense aanstel.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
voor laat
Niemand wil hom voor by die supermark kassapunt laat gaan nie.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
uitsien na
Kinders sien altyd uit na sneeu.
eindigen
De route eindigt hier.
eindig
Die roete eindig hier.
voltooien
Hij voltooit elke dag zijn jogroute.
voltooi
Hy voltooi sy drafroete elke dag.
schrijven
Hij schrijft een brief.
skryf
Hy skryf ’n brief.
slagen
De studenten zijn geslaagd voor het examen.
slaag
Die studente het die eksamen geslaag.
doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!
doen
Jy moes dit ’n uur gelede gedoen het!
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
spandeer
Sy spandeer al haar vrye tyd buite.
samenkomen
Het is fijn als twee mensen samenkomen.
kom bymekaar
Dit’s lekker as twee mense bymekaar kom.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
ontsyfer
Hy ontsyfer die klein druk met ’n vergrootglas.