Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
annuleren
Het contract is geannuleerd.
kanselleer
Die kontrak is gekanselleer.
drinken
Ze drinkt thee.
drink
Sy drink tee.
wachten
We moeten nog een maand wachten.
wag
Ons moet nog ’n maand wag.
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
uitstal
Moderne kuns word hier uitgestal.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
voel
Die ma voel baie liefde vir haar kind.
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
aanbied
Sy het aangebied om die blomme nat te gooi.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
kritiseer
Die baas kritiseer die werknemer.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
beskerm
Die moeder beskerm haar kind.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
uitslaap
Hulle wil eindelik een aand lank uitslaap.
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
ritsel
Die blare ritsel onder my voete.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
stel voor
Hy stel sy nuwe vriendin aan sy ouers voor.