Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/50772718.webp
annuleren
Het contract is geannuleerd.
kanselleer
Die kontrak is gekanselleer.
cms/verbs-webp/123786066.webp
drinken
Ze drinkt thee.
drink
Sy drink tee.
cms/verbs-webp/94909729.webp
wachten
We moeten nog een maand wachten.
wag
Ons moet nog ’n maand wag.
cms/verbs-webp/103232609.webp
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
uitstal
Moderne kuns word hier uitgestal.
cms/verbs-webp/106665920.webp
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
voel
Die ma voel baie liefde vir haar kind.
cms/verbs-webp/59250506.webp
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
aanbied
Sy het aangebied om die blomme nat te gooi.
cms/verbs-webp/120259827.webp
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
kritiseer
Die baas kritiseer die werknemer.
cms/verbs-webp/74176286.webp
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
beskerm
Die moeder beskerm haar kind.
cms/verbs-webp/101945694.webp
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
uitslaap
Hulle wil eindelik een aand lank uitslaap.
cms/verbs-webp/65915168.webp
ritselen
De bladeren ritselen onder mijn voeten.
ritsel
Die blare ritsel onder my voete.
cms/verbs-webp/79322446.webp
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
stel voor
Hy stel sy nuwe vriendin aan sy ouers voor.
cms/verbs-webp/58477450.webp
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
verhuur
Hy verhuur sy huis.