Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
buite gaan
Die kinders wil uiteindelik buite gaan.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
oorlaat
Die eienaars laat hulle honde vir my oor vir ’n stap.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
bedek
Die kind bedek homself.
open laten
Wie de ramen open laat, nodigt inbrekers uit!
ooplaat
Wie die vensters ooplaat, nooi inbrekers uit!
worden
Ze zijn een goed team geworden.
word
Hulle het ’n goeie span geword.
huilen
Het kind huilt in het bad.
huil
Die kind huil in die bad.
genieten
Ze geniet van het leven.
geniet
Sy geniet die lewe.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
lewer
Hy lewer pizzas by huise af.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
plek maak
Baie ou huise moet plek maak vir die nuwes.
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
skep
Wie het die Aarde geskep?
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
besit
Ek besit ’n rooi sportmotor.