Woordenlijst
Bengaals – Werkwoorden oefenen
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
openen
Het kind opent zijn cadeau.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
meekomen
Kom nu mee!
terugkeren
De vader is teruggekeerd uit de oorlog.
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.