Woordenlijst
Grieks – Werkwoorden oefenen
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
stoppen
Ik wil nu stoppen met roken!
pronken
Hij pronkt graag met zijn geld.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
rennen
De atleet rent.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
tellen
Ze telt de munten.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.