Woordenlijst

Leer werkwoorden – Spaans

cms/verbs-webp/93150363.webp
despertar
Acaba de despertar.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
cms/verbs-webp/57481685.webp
repetir
El estudiante ha repetido un año.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
cms/verbs-webp/54887804.webp
garantizar
El seguro garantiza protección en caso de accidentes.
garanderen
Verzekering garandeert bescherming bij ongevallen.
cms/verbs-webp/23258706.webp
elevar
El helicóptero eleva a los dos hombres.
optrekken
De helikopter trekt de twee mannen omhoog.
cms/verbs-webp/120200094.webp
mezclar
Puedes mezclar una ensalada saludable con verduras.
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
cms/verbs-webp/102823465.webp
mostrar
Puedo mostrar una visa en mi pasaporte.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
cms/verbs-webp/81025050.webp
luchar
Los atletas luchan entre sí.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
cms/verbs-webp/129300323.webp
tocar
El agricultor toca sus plantas.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
cms/verbs-webp/91147324.webp
recompensar
Fue recompensado con una medalla.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
cms/verbs-webp/90554206.webp
informar
Ella informa el escándalo a su amiga.
melden
Ze meldt het schandaal aan haar vriendin.
cms/verbs-webp/113253386.webp
salir
No salió bien esta vez.
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
cms/verbs-webp/98294156.webp
comerciar
La gente comercia con muebles usados.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.