Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
come closer
The snails are coming closer to each other.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
serve
The chef is serving us himself today.
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.
pursue
The cowboy pursues the horses.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
use
We use gas masks in the fire.
gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.
accompany
The dog accompanies them.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
depart
Our holiday guests departed yesterday.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
let in
One should never let strangers in.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
travel
He likes to travel and has seen many countries.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
trust
We all trust each other.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
send
The goods will be sent to me in a package.
sturen
De goederen worden in een pakket naar mij gestuurd.
suggest
The woman suggests something to her friend.
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.