Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
bereiden
Ze bereidde hem groot plezier.
prepare
She prepared him great joy.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
squeeze out
She squeezes out the lemon.
wandelen
De groep wandelde over een brug.
walk
The group walked across a bridge.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
drive away
She drives away in her car.
moeilijk vinden
Beiden vinden het moeilijk om afscheid te nemen.
find difficult
Both find it hard to say goodbye.
zorgen voor
Onze zoon zorgt heel goed voor zijn nieuwe auto.
take care
Our son takes very good care of his new car.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
think along
You have to think along in card games.
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
lie behind
The time of her youth lies far behind.
plukken
Ze plukte een appel.
pick
She picked an apple.
openen
Kun je dit blikje voor me openen?
open
Can you please open this can for me?
ter sprake brengen
Hoe vaak moet ik dit argument ter sprake brengen?
bring up
How many times do I have to bring up this argument?