Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
sturen
Hij stuurt een brief.
send
He is sending a letter.
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
come home
Dad has finally come home!
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
lie opposite
There is the castle - it lies right opposite!
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
cut to size
The fabric is being cut to size.
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
come easy
Surfing comes easily to him.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
feel
She feels the baby in her belly.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
throw away
He steps on a thrown-away banana peel.
eten
De kippen eten de granen.
eat
The chickens are eating the grains.
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
receive
She received a very nice gift.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
snow
It snowed a lot today.
eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.
agree
The neighbors couldn’t agree on the color.