Woordenlijst
Leer werkwoorden – Spaans
desmontar
¡Nuestro hijo desmonta todo!
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
salir
El hombre sale.
verlaten
De man vertrekt.
fortalecer
La gimnasia fortalece los músculos.
versterken
Gymnastiek versterkt de spieren.
quitar
El artesano quitó las baldosas viejas.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
rezar
Él reza en silencio.
bidden
Hij bidt in stilte.
desarrollar
Están desarrollando una nueva estrategia.
ontwikkelen
Ze ontwikkelen een nieuwe strategie.
pintar
Quiero pintar mi apartamento.
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.
despertar
El despertador la despierta a las 10 a.m.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
reducir
Definitivamente necesito reducir mis costos de calefacción.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
casar
A los menores no se les permite casarse.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
proteger
Se supone que un casco protege contra accidentes.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.