Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
listen to
The children like to listen to her stories.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
come home
Dad has finally come home!
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
look up
What you don’t know, you have to look up.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
consume
She consumes a piece of cake.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
throw to
They throw the ball to each other.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
change
The light changed to green.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
want to leave
She wants to leave her hotel.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
move out
The neighbor is moving out.
verhuizen
De buurman verhuist.
hear
I can’t hear you!
horen
Ik kan je niet horen!
spend the night
We are spending the night in the car.
overnachten
We overnachten in de auto.
pull up
The taxis have pulled up at the stop.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.