Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
pick out
She picks out a new pair of sunglasses.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
drive home
After shopping, the two drive home.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
arrive
The plane has arrived on time.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
jump over
The athlete must jump over the obstacle.
vervangen
De automonteur vervangt de banden.
change
The car mechanic is changing the tires.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
push
The nurse pushes the patient in a wheelchair.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
repeat a year
The student has repeated a year.
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
meet
Sometimes they meet in the staircase.
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
allow
One should not allow depression.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
check
The mechanic checks the car’s functions.
zich wenden tot
Ze wenden zich tot elkaar.
turn to
They turn to each other.