Woordenlijst
Leer werkwoorden – Ests
reisima
Meile meeldib Euroopas reisida.
reizen
We reizen graag door Europa.
sisaldama
Kala, juust ja piim sisaldavad palju valku.
bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
saabuma
Lennuk on õigeaegselt saabunud.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
tooma
Kuller toob toitu.
brengen
De bezorger brengt het eten.
maha põlema
Tuli põletab maha palju metsa.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
jooma
Lehmad joovad jõest vett.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
kirjutama
Kunstnikud on kogu seina üle kirjutanud.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
lööma
Ta lööb palli üle võrgu.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
võtma
Tal tuleb võtta palju ravimeid.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
kõndima
Grupp kõndis üle silla.
wandelen
De groep wandelde over een brug.
saatma
Ta saadab kirja.
sturen
Hij stuurt een brief.