Woordenlijst

Leer werkwoorden – Ests

cms/verbs-webp/106279322.webp
reisima
Meile meeldib Euroopas reisida.
reizen
We reizen graag door Europa.
cms/verbs-webp/108520089.webp
sisaldama
Kala, juust ja piim sisaldavad palju valku.
bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
cms/verbs-webp/99207030.webp
saabuma
Lennuk on õigeaegselt saabunud.
aankomen
Het vliegtuig is op tijd aangekomen.
cms/verbs-webp/70864457.webp
tooma
Kuller toob toitu.
brengen
De bezorger brengt het eten.
cms/verbs-webp/120978676.webp
maha põlema
Tuli põletab maha palju metsa.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
cms/verbs-webp/108286904.webp
jooma
Lehmad joovad jõest vett.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.
cms/verbs-webp/49853662.webp
kirjutama
Kunstnikud on kogu seina üle kirjutanud.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
cms/verbs-webp/83636642.webp
lööma
Ta lööb palli üle võrgu.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
cms/verbs-webp/60111551.webp
võtma
Tal tuleb võtta palju ravimeid.
nemen
Ze moet veel medicatie nemen.
cms/verbs-webp/87994643.webp
kõndima
Grupp kõndis üle silla.
wandelen
De groep wandelde over een brug.
cms/verbs-webp/124053323.webp
saatma
Ta saadab kirja.
sturen
Hij stuurt een brief.
cms/verbs-webp/129203514.webp
vestlema
Ta vestleb sageli oma naabriga.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.