Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
voorstellen
De vrouw stelt iets voor aan haar vriendin.
suggest
The woman suggests something to her friend.
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
train
Professional athletes have to train every day.
vooruitgang boeken
Slakken boeken alleen langzame vooruitgang.
make progress
Snails only make slow progress.
proeven
De chef-kok proeft de soep.
taste
The head chef tastes the soup.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
travel
He likes to travel and has seen many countries.
werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
work for
He worked hard for his good grades.
wachten
Ze wacht op de bus.
wait
She is waiting for the bus.
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
live
They live in a shared apartment.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
paint
She has painted her hands.
willen
Hij wil te veel!
want
He wants too much!
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
travel around
I’ve traveled a lot around the world.