verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
حرکت کردن
برادرزادهام حرکت میکند.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
بیرون رفتن
بچهها سرانجام میخواهند بیرون بروند.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
بررسی کردن
مکانیکی عملکرد ماشین را بررسی میکند.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
چرخیدن
اتومبیلها در یک دایره میچرخند.
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
نظر دادن
او هر روز در مورد سیاست نظر میدهد.
knippen
De kapper knipt haar haar.
بریدن
موسس موهای او را میبرد.
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
به عقب برگرداندن
به زودی باید دوباره ساعت را به عقب برگردانیم.
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
نقاشی کردن
من برای تو یک تابلوی زیبا نقاشی کردهام!
protesteren
Mensen protesteren tegen onrecht.
اعتراض کردن
مردم به بیعدالتی اعتراض میکنند.
draaien
Ze draait het vlees.
چرخاندن
او گوشت را چرخاند.
overwinnen
De atleten overwinnen de waterval.
غلبه کردن
ورزشکاران بر آبشار غلبه کردند.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
تمیز کردن
او آشپزخانه را تمیز میکند.