Vocabulário
Aprenda verbos – Holandês
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
partir
Quando o sinal mudou, os carros partiram.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
mover
É saudável se movimentar muito.
trekken
Hij trekt de slee.
puxar
Ele puxa o trenó.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
voltar
Ele não pode voltar sozinho.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
imaginar
Ela imagina algo novo todos os dias.
openen
Het kind opent zijn cadeau.
abrir
A criança está abrindo seu presente.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
usar
Até crianças pequenas usam tablets.
besparen
Je kunt geld besparen op verwarming.
economizar
Você pode economizar dinheiro no aquecimento.
achterliggen
De tijd van haar jeugd ligt ver achter haar.
ficar para trás
O tempo de sua juventude fica muito atrás.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
referir
O professor refere-se ao exemplo no quadro.
veranderen
Veel is veranderd door klimaatverandering.
mudar
Muita coisa mudou devido à mudança climática.